
Jurisprudentie
AZ0107
Datum uitspraak2006-10-13
Datum gepubliceerd2006-10-13
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers06/802472-05
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-13
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers06/802472-05
Statusgepubliceerd
Indicatie
De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 240 uren voor de verduistering in dienstbetrekking van goud(afval).
Uitspraak
RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Straf
Meervoudige kamer
Parketnummer: 06/802472-05
Uitspraak d.d.: 13 oktober 2006
Tegenspraak / dip
VONNIS
in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [plaats] op [geboortedatum],
wonende te [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 29 september 2006..
De tenlastelegging
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstip(pen)in of omstreeks de periode van 1 mei 2000 tot en met 1 mei 2003 te Eerbeek, althans in de gemeente Brummen, opzettelijk goudafval, zogenaamde sheets en subsheets (met een goudwaarde van ongeveer Euro 80.000,--), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [bedrijf] (te [plaats]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als medewerker productieafdeling en/of technisch coördinator productieafdelingen, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
art 321 Wetboek van Strafrecht
art 322 Wetboek van Strafrecht
Taal- en/of schrijffouten
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat: hij in de periode van 1 mei 2000 tot en met 1 mei 2003 te Eerbeek, opzettelijk goudafval, zogenaamde sheets en subsheets, die toebehoorden aan [bedrijf] (te [plaats]), en welke goederen verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als medewerker productiefafdeling en/of technisch coördinator productieafdelingen, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Motivering bewezenverklaring
Deze bewezenverklaring is gebaseerd op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting, zijn bij de politie afgelegde verklaring (pagina 130-135) en de aangifte van [medewerker bedrijf] namens [bedrijf] te [plaats] (pagina 55-57).
Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde
Wat meer of anders is ten las-te gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezene levert op het misdrijf:
Verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Oplegging van straf en/of maatregel
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I).
Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank een taakstraf als na te melden op zijn plaats. Deze taakstraf zal moeten worden verricht op een projectplaats als opgenomen in de door de Stichting Reclassering Nederland gehanteerde lijst van projectplaatsen. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich gedurende een aantal jaren meermalen heeft schuldig gemaakt aan verduistering van een aanzienlijke hoeveelheid goudafval, bestaande uit sheets en subsheets, die hij uit hoofde van zijn beroep onder zich had. Verdachte heeft door zijn handelen het vertrouwen dat zijn werkgever in hem mocht stellen ernstig geschonden en zijn werkgever daarnaast financiële schade toegebracht. Tezamen met zijn mededader heeft hij vervolgens dit goudafval bewerkt, zodat enkel puur goud overbleef. Dit (pure) goud heeft hij, verdachte, tezamen met anderen vervolgens verkocht. Met deze verkoop waren hoge geldbedragen gemoeid. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit de in het dossier aanwezige inkoopnota’s van [naam bedrijf A te plaats] en het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de inkoopbedragen van [naam bedrijf B te plaats] blijkt dat de omvang van de hoeveelheid weggenomen (sub)sheets, waaruit een grote hoeveelheid elektrolytisch gewonnen goud kon worden verkregen, groot was. Verdachte heeft met de verkoop van dit goud, zoals hij ter zitting heeft aangegeven, een aanzienlijk bedrag van tussen de 15.000 en 20.000 euro verdiend. In deze omstandigheden, alsook gelet op de rol die verdachte, als initiator, in het geheel heeft gespeeld, ziet de rechtbank aanleiding aan verdachte een werkstraf van langere duur op te leggen dan door de officier van justitie is geëist.
De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Vordering tot schadevergoeding
De benadeelde partij [bedrijf] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 139.670,24 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu zij van oordeel is dat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor afdoening in het strafgeding. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 57, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
De rechtbank beslist als volgt.
Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.
Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten: een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.
Beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf dat per dag in voorarrest doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.
Verklaart de benadeelde partij [bedrijf] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Aldus gewezen door mrs. Van Hoorn, voorzitter, Vaandrager en Schmitz, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Meerdink, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 oktober 2006.